God schiep jou als god
Ontdek de diepe waarheid achter de schepping: EloHim God schiep ons van stof (en dus als tijdelijke) EloHim Goden in een huwelijks band met God! Dit is een concept dat krachtig wordt bevestigd in Psalm 82:6 en Efeze 2:10 HSV We Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus/Elohim-God.
Het woord 'EloHim' draagt een meervoud in zichzelf, en daarin vinden wij, de mensheid, onze plaats – als een bruidsvrouw die onderdeel is van een huwelijk met haar man. Paulus’ woorden in 1 Korinthe 15:28 belichten dit verder: "Wanneer alle dingen aan Hem onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem Die alle dingen aan Hem onderworpen heeft, opdat God alles in allen zal zijn." Dit is de kernboodschap die we willen delen: Gods liefde is niet die van een baas naar een ondergeschikt hondje, maar de diepe, verbindende liefde van een bruidegom voor zijn bruid. Deze boodschap is voor iedereen die wil weten wie en wat God is, zelfs voor doorgewinterde Bijbeltheologen. Wij hopen dat je Gods liefde, en jouw plek daarin, herkent en omarmt.

In het begin zweefde De Roeach-Elohim God over het water (Genesis 1:2). God blies Zijn Roeach-Elohim in de mens, gevormd uit stof en 60% water (Genesis 2:7), naar Zijn innerlijk Beeld (Genesis 1:27). Net als dieren en planten zijn wij sterfelijk, maar in onze kern dragen we iets goddelijks. Net als ons maakte Eva een verkeerde aanname over God. Haar onvolwassenheid in het paradijs leidde tot de uitspraak in Genesis 3:3: "We mogen de boom geen eens aanraken!" (alsof God superstreng was). Ze herkende Gods liefde niet in de overvloedige, gratis vruchten die ze wel kon plukken (Genesis 2:9). De slang verleidde haar, en daarmee schonden ze de bron van liefde, beledigden ze Gods liefde. Zelfs na de zondvloed, die de aarde reinigde als een waterbad van ware kennis over God, bevestigde God aan Noach opnieuw dat mensen naar Zijn Beeld zijn gemaakt (Genesis 9:6). Wij zijn niet zomaar producten, maar zijn weerspiegelingen van Zijn innerlijk.
Naar gods innerlijk beeld

U bent goden, zonen van de allerhoogste
Gods liefde is onvoorwaardelijk. In de wet beloofde Hij, als uiting van die liefde, dat Hij onze harten zou reinigen van kwade aannames als we in vriendschap met Hem deden. Opdat we wilden leven en Zijn relatie-aanbod en Hem eerden (Deuteronomium 30:6). De Bijbel bevestigt keer op keer onze goddelijke Vader schap over mensenkinderen. In Psalm 82:6 en Johannes 10:34 staat: "U bent goden, u bent allen zonen van de Allerhoogste." Salomo voegde eraan toe dat God de eeuwige aard van God in ons hart heeft gelegd (Prediker 3:11). Maar toch zei Zelfs Jezus een keer tot Zijn leerlingen: "O ongelovig en ontaard geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn, hoelang zal Ik u nog verdragen?" (Mattheüs 17:17). Waarmee Híj indirect beweerde dat we met een goede aard begonnen waren. Ook Paulus erkende in Romeinen 2:14-15 dat heidenen laten zien dat de wet van God in hun hart geschreven staat, hun geweten getuigt ervan, en hun gedachten beschuldigen of verontschuldigen elkaar. Dit toont aan dat er een universele herkenning is van Gods principes in de menselijke hart. Wij zijn geboren in Zijn gelijkenis, net zoals een vrouw in de gelijkenis van een man is, maar toch uniek en anders. Dit is cruciaal om te weten, want het verandert alles over hoe je jezelf en God ziet.

Een vader van eeuwigheid voor zijn mensenkinderen
Jezus leerde ons bidden tot Onze Vader van alle mensenkinderen: "Verlos ons van de boze aannames die we deden over U!" (Mattheüs 6:13). Hij zei ook: "U bent allen broeders. U mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is" (Mattheüs 23:8-9 HSV). De Jood Petrus, die uit het Oude Testament wist dat God de Vader is van alle mensenkinderen (Deuteronomium 14:1, 32:18, Maleachi 2:10, Jesaja 64:8), belijdde: "Jezus, U bent de Christus Gods en Vader" (Lukas 9:20). Daarop zei Jezus: "op deze belijdenis zal God Zijn gemeente bouwen" (Mattheüs 16:18). Hebreeën 2:10 bevestigt: "Het paste Hem, om Wie alle dingen zijn en door Wie alle dingen zijn, dat Hij, om veel kinderen tot heerlijkheid te brengen, door lijden zou heiligen." En in Hebreeën 2:11 HSV staat nogmaals: "Daarom schaamt Immanuel/EloHim Zich er niet voor hen broeders te noemen." Zelfs Jezus' broer, Jakobus, schreef: "Wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn" (Jakobus 3:9 HSV). Gods belofte in Deuteronomium 30:6, dat Hij ons hart en dat van ons nageslacht zal reinigen, zodat we Hem liefhebben, wordt bekrachtigd door Jezus' offer. Door als Vader van eeuwigheid, voor Zijn mensenkinderen, in onze plaats aan een kruis te sterven en op te staan (Hebreeën 2:9), heeft Hij het recht ons hart te winnen. Net zoals de afspraak met Abraham (Genesis 15) al liet zien dat God Zelf zo dood als de dieren zou worden als Abrahams geloof in Gods goedheid verloren ging. Jesaja 9:5 bevestigt dat wat uit de Maagd Maria kwam, 'Vader van eeuwigheid en Sterke God' genoemd zou worden. Openbaring 1:8, 17-18 benadrukt: "Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, Ik ben de Eerste en de Laatste, De Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid." Johannes 1:12 vat het samen: "Allen die deze God als een zelfopofferende God aangenomen hebben, hun heeft Hij kracht/enthousiasme gegeven volwassen kinderen van God te worden."