Adam demoniseerde Eva in het Paradijs
Ontdek een radicaal nieuw perspectief op het verhaal van Adam en Eva. Was het Paradijs wel zo hemels? En welke rol speelde Adam in de denkwijze van Eva en daarmee in de chaos die we vandaag de dag zien?

De val van een goddelijk zelfbeeld
Adam demoniseerde Eva in de Hof van Eden. Dit begon al in Genesis 2:19 HSV: "De HEERE God vormde alle dieren en bracht die bij Adam om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam (doen en laten), zijn." Adam zondigde geestelijk door Eva, het heilige geschenk van God, 'onrein' te noemen, alsof ze enkel 'uit de man' voortkwam. Een daad die verstrekkende gevolgen had voor haar zelfbeeld en dat van de mensheid. Dit was een afwijzing van haar goddelijke aard, een gedachte die God later herstelde via Mozes, David, Jezus en Griekse dichters die de mens als 'Gods vrouw' of zelfs 'goden' noemden. Vergelijkbaar met Psalm 82:6 HSV: "Ik heb wel gezegd: U bent goden, u bent allen zonen van de Allerhoogste."

Eva's nieuwe zelfbeeld: een leugen
Eva bezag zichzelf niet langer als een Elohim-God op aarde (Psalm 82:6). Zo viel Eva van haar hoge standaard van denken, in leugens over haarzelf en God. Ze dacht dat ze niet als God was gemaakt, hoewel God hen beiden naar Zijn beeld en gelijkenis als Elohim-goden had gemaakt. Dit wordt later in de Bijbel steeds weer benadrukt. Vandaar was ze vatbaar voor de dwaze uitnodiging van de slang om weer aan God gelijk te worden, terwijl ze al zo geschapen was. Na de praktische zonde van Eva, gaf Adam zijn vrouw 'Het merktype naam' Eva, omdat zij moeder van alle levenden is (Genesis 3:20 HSV). Petrus kreeg later een visioen met een laken en dieren, om te laten zien dat hij geen mens onheilig of onrein mocht noemen (Handelingen 10:28 HSV). Een les die Adam al veel eerder had moeten leren.

Jezus leert ons echter een andere waarheid: "U bent allen broeders, u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vaderlijke afkomst, namelijk Hij Die in de hemelen is." (Mattheüs 23:8-9 HSV). Dit onderstreept het belang van onze directe relatie met God en verwerpt de hiërarchie die Adam introduceerde. Het is een oproep om elkaar als gelijken te zien, allen afstammelingen van de Ene Vader, en elkaar niet te demoniseren of te verlagen. Laten we deze waarheid omarmen en een samenleving bouwen waarin iedereen zijn goddelijke aard erkent.